Verwezen kanaal Ieper - Komen

 

algemeen

Na de kanalisering van de Ieperlee wenste men het agrarisch gebleven gebied rond Ieper ook zuidwaarts te ontsluiten.
De verbinding met de Leie, en de rest van Vlaanderen (Gent, Antwerpen, ...) en Noord-Frankrijk (Lille, ...) gebeurde immers over de weg, met alle problemen en gevaren vandien.
Gedacht werd aan een verbinding via het water met het toentertijd welvarende noorden van Frankrijk en Wallonië. Men besliste een kanaal te graven van Ieper naar Komen en zo de IJzer met de Leie te verbinden. De werken begonnen eind 19de eeuw. Ze leden echter schipbreuk op de onstabiele ondergrond (een laag Paniseliaans zand op een laag Ieperiaanse klei) ter hoogte van de waterscheidingskam tussen het Leie- en het IJzerbekken (huidig provinciaal domein De Palingbeek). In vochtige toestand en op steile hellingen speelt deze kleilaag de rol van spekgladde glijbaan. De tunnel die zorgde voor de doorgang ter hoogte van de scheidingskam stortte in. Later stortte ook nog een brug in en het hele project werd opgegeven.  De Eerste Wereldoorlog liet er ook zijn sporen na. Overal zijn er nog bunkers, mijnkraters en ontontplofte obussen te vinden.

Het verlaten traject werd heroverd door de natuur.
Thans vervult het een ecologische verbindingsfuntie tussen de natuurgebieden in het Iepers (Vestingen, Verdroken Weiden, De Vierlingen, ...) en de Leie.
Het gebied is als het ware een laboratoriumopstelling, die de evolutie van open water naar bos perfect weergeeft: open water, rietvelden, moerasbossen, drogere graslanden, muurvegetatie op de sluizen, ... en is tevens een paradijs voor wandel- en fietstoerisme.


mei 2003


februari 2003

Tussen Ieper en het Provinciaal Domein De Palingbeek is langsheen het grootste deel van de panden fiets- en wandelpaden aangelegd.
Voorbij het Provinciaal Domein De Palingbeek is het eerste gedeelte niet toegankelijk, en verder tot aan de Waalse grens is er een wandelpad. Voorbij de Waalse grens, is er een (gebetonneerd) fietspad aangelegd.

 

planologie en wettelijk statuut
biologische waarderingskaart
op de biologische waarderingskaart staat het verwezen kanaal ingekleurd als Biologisch zeer waardevol.

gewestplan
Tussen Ieper en het Provinciaal Domein De Palingbeek is het verwezen kanaal ingekleurd als parkgebied, tussen het Provinciaal Domein en de grens met Wallonië is het ingekleurd als natuurgebied.

eigendom
Het verwezen kanaal Ieper-Komen staat heden ten dage nog altijd gekatalogiseerd als 'bevaarbare waterweg' en is derhalve eigendom van het Vlaamse Gewest en wordt 'beheerd' door de Dienst er Kust.

bodem
Op de meeste plaatsen treffen we zandige leem- tot kleigrond aan. Hierbij moet vermeld worden dat op de meeste plaatsen de bodemsamenstelling niet meer homogeen is, door het graven van de sleuf.

Algemeen gezien bestaan de grondlagen onder de oppervlaktelaag uit een laag Paniseliaans zand, dat op een ondoordringebare laag Ieperiaanse klei ligt. Naargelang de plaats waar waarop gegraven wordt, is de zandige laag dikker, dunner of ontbrekend:


mei 2003

  • Tussen de Watermolenberg en de Dikkebusseweg is het Paniseliaan zand ontbrekend. Daar vinden we een kleilaag die af en toe zandleem bevat. Hierdoor verschilt de bodem van het verwezenkanaalpand en van de oevers qua samenstelling weinig of niet met die in de omgeving. Ook werd in dit deel van het pand (Plumerlaan) een gedeelte van het omliggende gebied, in de 20ste eeuw opgehoogd met huisvuil.
  • Bij het Provinciaal Domein De Palingbeek is het Paniseliaan het dikst.
  • In l' Entrepot, en verder naar de Waalse grens toe, waar de sleuf minder diep gegraven is ten opzichte van het natuurlijke maaiveld, zijn de kenmerken anders dan in het Provinciaal Domein:
    • de zandlemige gronden zijn goed zichtbaar op de taluds. In de bedding van het verwezen kanaal, maken deze gronden plaats voor een met alluviale en plantwaardige afzettingen verrijkt kleiig substraat;
    • de verhouding nat-droog is hier ook beter zichtbaar: door de verhoogde spoorwegberm op de oostoever, voor een deel uitgevoerd met aangevoerde stenen, is er een zeer goed drainage, en zorgt aldus voor drogere zones;
    • zoals in de andere zones, treft men deze drogere situatie ook aan op de bakstenen ruïnes van de sluizen, die in deze niet-beboste stroken het meest uitgespoken is;
    • her en der voorkomende taluds en ophopingen, door de oorspronkelijke en latere graafwerken en tijdens WOI ontstaan, zorgen voor een microreliëf met een daarbij horende vegetatie: droge heuveltjes vanzandig leem naast natte kuilen. Hierdoor bekomen we een rijke vegetatie op een beperkte opperlvalkte, waar het geen zeldzaamheid is om Brem naast Riet te zien.
historiek
Onder leiding van hoofdingenieur Debrock onderzocht ingenieur Dultreux twee tracés voor de verbinding Leie-Ieperleekanaal:
  1. het ene vertrok stoomopwaarts Waasten en liep langs Mesen en Voormezele
  2. het andere tracé liep tussen Waasten en Komen aan de monding van de Kortebeek, volgde die beek, dwarste de scheidingskruin bij Hollebeke, liep ter linkerzijde van Ieper en vertakte zich met het Ieperleekanaal.

De keuze viel op tracé 2, omdat het scheidingspunt niet zo hoog lag. Ter hoogte van Hollebeke moest een tunnel gegraven worden van 1.330 meter lang, met als alternatief een opengewerkt kanaal.
Hoofdingenieur Debrock bepleitte nog een diepgang van 1,80 meter, ‘opdat de grote schepen van Henegouwen zouden kunnen varen zonder te moeten ontlasten’. Dit voorstel bleef jarenlang in de ministeriële laden liggen.
In 1863 kreeg een private maatschappij eindelijk een vergunning voor het graven van de ‘Komense Vaart’.
Deze vergunning werd bij koninklijk besluit van 31 januari 1863 toegekend aan notaris Charles Van Eecke en burgerlijk ingenieu Antoine Bucher, beiden uit Ieper.
Op 21 juli 1563 stond een naamloze vennootschap in de steigers onder de benaming ‘Compagnie du Canal de la Lys à l’Yperlee’. De statuten van de vereniging werden bij Koninklijk Besluit van 07 augustus 1863 goedgekeurd en in het Belgisch Staatsblad van 14 augustus 1863 gepubliceerd.
Een bestuursraad van zes personen stond in voor het beheer en drie commissarissen hielden toezicht. Deze vennootschap zou niet alleen het kanaal aanleggen maar ook de exploitatie op zich nemen.
Het maatschappelijk kapitaal was vastgelegd op zes miljoen frank, wat overeen kwam met de geraamde kostprijs voor de uitvoering. De Belgische staat schreef in voor 5.600 aandelen of 2,8 miljoen frank. In de overeenkomst tussen de hogere overheid en de private aandeelhouders, ondertekend op 07 december 1864, waren volgende werken opgesomd met een kostenraming:

            Grondwerken                                                                           1.362.000 frank
            vijftien sluizen                                                                           7.782.000 frank
            achttien woningen voor sluismeester en bruggewachters                  33.000 frank
            zeventien bruggen                                                                        168.000 frank
            sifons
               onder de Kraaibeek in Hollebeke                                                  18.000 frank
               onder de Kemmelbeek                                                                   27.000 frank
               onder de Dikkebusvijverbeek                                                        18.000 frank
               onder de Ieperlee                                                                        33.000 frank
            Vijf aquaducten                                                                              24.000 frank
            twee gebouwen voor het plaatsen van stoommachines
                    in Komen en Hollebeke                                                            33.000 frank
            twee stoommachines en het plaatsen ervan                                       45.000 frank
            aanleg voedingskanaal                                                                   246.000 frank
            bouwen van een tunnel van 700 meter                                          1.176.000 frank
            afhankelijkheden en voorzieningen voor  de
                                    exploitatie van het kanaal                                        33.000 frank

Deze specifieke werken slorpten bijna vijf miljoen op.
De rest van de geraamde zes miljoen was bestemd voor de verwerving van gronden, woningen, jaagpaden, stapelplaatsen, enz.
Uit de exploitatie van het kanaal verwachtte men een jaarlijkse netto-opbrengst van ca. 295.000 frank. Dat bedrag stemde overeen met een rente van 4,25% op een kapitaal van 6.550.000 frank.
In het bestek, toegevoegd aan het Koninklijk Besluit van 31 januari 1863, was duidelijk bepaald dat het dwarsprofiel van het kanaal het kruisen van schepen van driehonderd ton moest toelaten. De tunnel was echter voorzien voor beurtelings verkeer.

De tunnel van Hollebeke
De eerste spadesteek voor het graven van de tunnel aan de Hollebeekse hoogte werd gegeven in november 1864.
Men dolf een achttal verticale toegangsschachten tot op een diepte van 17 meter. Die schachten moesten met elkaar verbonden worden door een galerij, van waaruit verder kon gewerkt worden aan de tunnel.
In februari 1865 storrte de laatste vertikale schacht richting Ieper in.
Op 22 juli 1865 waren de werkgalerijen af en kon het metselwerk aangevat worden. De moeilijkheden stapelden zich op. Drie maanden later was men slechts een tiental meter met het metselwerk opgeschoten en de vervormingen waren reeds duidelijk merkbaar.
De maatschappij nam daarop de ervaren Luikse tunnelbouwer ir. Borguet in dienst.
Deze liet over heel het tunneltraject een draineer- en werkgalerij graven met het oog op het droogtrekken van de grond. De technische ingreep stemde de maatschappij hoopvol, maar die hoop zou ijdel blijken.
Toen de tunnel over een lengte van 63 meter was voltooid, stortte het bouwwerk in.

In handen van de overheid
Na het mislukken van het tunnel-experiment kreeg de maatschappij vanwege de hogere overheid de toestemming om de tunnel te vervangen door een sleuf.
Deze sleuf moest gegraven worden op een zestigtal meter afstand van de ingestorte tunnel.
De graafwerken voor de sleuf vingen aan in 1867 en de werken vorderenden goed. Maar reeds in 1868 grepen de eerste grondafschuivingen plaats, en uiteindelijk stopte de maatschappij de werkzaamheden.
Op 23 maart 1871 greep er een aandeelhoudersvergadering plaats. Uit een verslag bleek dat de ramingen voor de kosten van de aanleg van het kanaal sterk onderschat waren. In de conclusie van dit verslag werd voorgesteld dat de Staat de titels en obligaties van de vergunninghouders zou overnemen tegen uitgifte prijs. De lasten voor de uitgevoerde meerwerken zouden zonder vergoeding door de Staat verworven blijven.
Tussen 1873 en 1886 lagen de werkzaamheden aan het kanaal stil.
In die  periode werd koortsachtig gezocht naar alternatieven om de geologische moeilijkheden te overwinnen.
Maar het bleef wachten op de overeenkomst van wederaankoop tussen de concessiehouder en de Staat.
Deze conventie kwam er pas in 1882 en werd geconcretiseerd bij KB van 09 juni 1886.
Ingenieur Leboucq van de Dienst  Bruggen en Wegen werd  belast met de studie van de voltooiingswerken.
In 1889 liet hij in het diepste gedeelte van het tracé, in Hollebeke, een 250 meter lange tunnel graven. Plannen en bestek waren opgemaakt door ingenieur Froidure en de firma Bolsée kreeg het werk toegewezen. De werken vorderden, maar in 1890 vertoonde het voltooide gedeelte van de tunnel ernstige beschadigingen over een afstand van ca. 60 meter.
In 1893 stortte de tunnel opnieuw in. Op 03 november 1910 werden de restanten van de tunnel gedynamiteerd.
Op advies van ingenieur Froidure werd in 1909 een wedstrijd uitgeschreven onder de aannemers.
Een zestigtal dongen mee. In hun aanbiedingen stelden ze diverse ingrepen en wijzigingen voor, zoals verhoging van het kanaalpeil, maar ook het behoud  van de tunnel.
Het voorstel Monnouer voorzag de  verhoging van het kanaalpeil met vijf meter. Dat vergde de aanleg van twee bijkomende kanaalpanden en twee aanvullende sluizen. Het gevolgde tracé was dat van 1889. Aan de Sint-Elooiweg kwam een stalen brug. Ook de bekleding van de taluds werd aangepast.
Het ontwerp Monnoyer viel in goede aarde bij de Minister van Openbare Werken en in februari 1910 werden de werken opnieuw opgestart.
Opeenvolgende grondverschuivingen en barsten in de betonnen taludbekledingen schrokken de aannemer niet af.
Op 29 november 1912 kon Monnoyer aan de bevoegde minister laten weten dat zijn opdracht vervuld was.
Enkele  dagen later deden zich verontrustende verschuivingen voor aan de Sint-Elooibrug.
Op 10 juni 1913 stortte de stalen Sint-Elooibrug in.

WO I
Gedurende WO I kwam de vaart Ieper – Komen, ter hoogte van de Palingbeek – in de frontlinie te liggen: de kanaalsleuf lag gedeeltelijk op de Ypres Salient. Het hoogste punt van het domein kreeg de naam “The Bluff”, de omgeving van de Vaartstraat de “Spoilbank”, het aangrenzende Zwarte Molenbos “The Ravine”. Het domein De Vierlingen werd “Battle Wood”. Het kasteel van De Palingbeek werd “The White Chateau”, en was enige tijd een Duitse basis. Doorheen het domein liepen verschillende loopgraven, richting “The Bluff”.

Interbellum
Na WO I had de aanleg van het kanaal niet zo’n grote prioriteit: eerste de wederopbouw.
Na overleg tussen diverse besturen werd de Staat op 01 oktober 1920 bij minnelijke schikking eigenaar  van het ‘onbruikbare’ kanaal, en … de administratieve molen kwam weer op gang.
In een eerste verslag, in 1924 opgesteld door ir. De Naeyer werd de historiek van de aanleg geschetst en van de opeenvolgende mislukkingen.
In 1931 toonde hoofdingenieur van Bruggen en Wegen R. Verstraete aan dat de grondafschuivingen niet beperkt bleven tot de insnijding van Hollebeke, maar over heel de kanaallengte voorkwamen.
Na het herstel van het kanaal Ieper – IJzer, dat op 19 maart 1933 feestelijk weer in dienst werd genomen, hoopte men op een nieuwe poging om Ieper met de Leie te verbinden.
Studies en plannen volgden elkaar in snel tempo op, proefboringen grepen plaats, maar de werken werden niet opgestart.

WO II
Op 25 mei 1940 besliste generaal Gart van het Britse expeditiekorps het 5de en de 50ste divisie te verplaatsen naar het kanaal, ten einde de Duitse opmars tussen Geluwe en Komen op te houden. Twee brigades namen op 26 mei 1940 tussen Komen en Houtem stelling in en wat later namen twee andere brigades de kanaalstrook tussen Houtem en Zillebeke onder controle.
Op 27 mei 1940 begonnen de gevechten.
Omdat de Britten alle bruggen hadden opgeblazen, moesten de Duitsers het kanaal oversteken via geïmproviseerde bruggetjes, o.a. gemaakt uit huisdeuren.
Na een terugtocht en een bittere strijd, wisten de Britten via een tegenaanval de Duitsers gedeeltelijk achter de Kortekeerbeek en het kanaal terug te dringen.
Op 28 mei 1940 ging de Duitse aanval onverminderd verder, maar de Britten wisten stand te houden.
In de nacht van 28 op 29 mei trokken de Britten zich terug.

Na WOII
Een laatste kanaalplan dat rond 1958 door ingenieur Verschaeve voorgesteld werd, bleef louter academisch.
Het verwezen kanaal bleef er ongestoord en ongerept bij liggen.

natuur


Flora
Vanaf de Watermolenberg (bij het Ieperleekanaal) tot aan de Dikkebusseweg
loopt het verwezen kanaal doorheen een verstedelijkt gebied. 
Er 
werden eind 20ste eeuw, werken uitgevoerd door Aquafin. De struiken en bomen werden er verwijderd. Hier kwam dus een strook open water vrij met een interessante en soms zeldzwame oever- en watervegetatie (Lisdodde, Zwanebloem, Gele lis, Grote waterweegbree, Groot moerasscherm, Vederkruid, Gele waterkers, Wolfspoot, Beekpunge, Zwanebloem, Waterviolier, Watermunt, Gele waterkers en Egelskop).
De meest gevarieerde delen van deze zone bevinden zich nabij de Tulpenlaan en voorbij de Dikkebusseweg langs de bebouwde kom.
Door de realisatie van de scheiding van oppervlakte- en rioolwater stroomt enkel relatief proper oppervlaktewater door het kanaal, zodat de natuur meer kansen krijgt. Dit wordt mooi geïllustreerd door de steeds toenemende aantallen amfibiën die tijdens "de Paddentrek" (voorjaar) pendelen tussen de naastgelegen tuinen en weiden en het open water van het kanaalpand.

Tussen de Dikkebusseweg en de Kemmelse weg
loopt het verwezen kanaal eerst langs ruime woonwijken aan de ene oever en een militair domein (met een belangrijke kolonie Huiszwaluwen) aan de andere oever. Vanaf de Kemmelseweg loopt het verwezen kanaal door een open gebied.
In deze zone komt het verwezen kanaal soms hoger te liggen dan de omringende velden en weiden, wat vooral het geval bij het pand tussen de Kemmelseweg tot voorbij de Rijselseweg.

Vanaf de Dikkebusseweg tot aan het Provinciaal Domein
valt in het begin de situatie te vergelijken met het eerste deel. Hier groeien ook pioniersplanten (Eendekroos, Moerasrolklaver, Moerasvergeet-mij-nietje, Moerasspirea, Watertorkruid, Gele waterkers, Veenwortel, de zeldzame Waterviolier; Grote waterkers, Veenwortel
Fonteinkruid en Beekpuntge).
Verder is het kanaal meer en meer verland. De Zwarte els groeit er massaal met hier en daar Gewone vlier en Wilg.
Op de bermen groeien meestal Brandnetel, Smeerwortel, Braam en Distel (nitraatminnende planten). 
Op de droger en voedselarmer hellingen vinden we echter Knoopkruid en Vlasbekje.
De zandlemige en weinig bemeste delen op de bermen zijn begroeid met Duizendblad, Wilde peen, Groot kaasjeskruid, Agrimonie, Wikke  en Koningskaars. Een ecologisch opgevolgd bermbeheer moet hier de verruiging tegenhouden.

Het Provinciaal Domein De Palingbeek.

Van het Provinciaal Domein de Palingbeek tot grens Wallonië
ligt het rustigste gedeelte van de Oude Vaart.
Algemeen
het eerste stuk wordt vaak L'Entrepot genoemd naar het gelijknamige café die volledig is afgebrand. De natuur heeft hier volledige vrijheid gekregen zich te ontwikkelen tot het juweeltje wat het nu is.  Het dichtste bij de Palingbeek treft men eerst een bebost gedeelte aan met dichte Mei- en Sleedoornbosjes, een ooit door mandenvlechters geëxploiteerd Katwilgenbosje, een fraai ontwikkeld eiken-essenbos, met quasi holle wegen. Hier en daar komen ook stroken open rietveld aan, wat het geheel heel aantrekkelijk maakt voor (zang)vogels en roofvogels. Het is bv. in dit stuk dat men Bosuil, Ransuil en Steenuil regelmatig kan horen en zien. Reeeën en Vossen, die in de omliggende bossen (Vierlingen, Drieblotenbos, Palingbeek) voorkomen, maken ook gretig gebruik van het beschuttende karakter van deze bosjes, op hun migraties doorheen de streek.
Dit bos evolueert beetje bij beetje tot een gemengd eiken-essenbos. Hier en daar groeit er Reuzenpaardestaart.  Op de oude restanten van L'Entrepot groeien heel wat pioniersplanten zoals Engelwortel, Koninginnekruid, Heelblaadjes, Knoopkruid, Stinkende gouwe, Sint- Janskruid, Jacobskruiskruid en Koningskaars. Dit gemengde loofbos gaat geleidelijk over in meer monospecifieke begroeiing met Eenstijlige meidoorn en Sleedoorn. Dit gedeelte is een El Dorado voor kleine zangvogeltjes en kleine zoogdieren.  Deze dichte loofbosjes en struikgewas worden meer en meer onderbroken door open plekken. Er heerst een plaatselijk microklimaat en de zandige bodem zorgt voor meer variatie. Op de hogere gedeelten groeit Brem. Er zijn ook natte en verruigde graslanden en verlande moerassen met Riet, Engelwortel, Gele lis, Heelblaadjes, Koninginnekruid en Zilverschoon. Dit was de plaats bij uitstek voor het ringen van vogels. Het grootste rietveld valt 's zomers droog. Het rietveld wordt gevoed door regenwater en niet met het vervuilde water van de omgeving.  Dit heeft natuurlijk invloed op de flora: Wederik, Moerasspirea, Watermunt, Moerasvergeet-mij-nietje en Wolfspoot. In het verleden werd hier nogal wat gekapt en gemaaid en zo heeft het zijn open karakter behouden.
In een 200 meter lange strook komen we in een heel eigenaardig gebiedje: een verwaarloosde wilgengriend. De lange wissen van de Katwilg moesten dienen om manden te vlechten. In de schaduw groeit hier Penningkruid. Een gemengd loofbos zal in de toekomst dit gedeelte overwoekeren. In het gedeelte tot aan de Kortewildestraat is een goed ontwikkeld bos ontstaan met grote bomen zoals Eik, Gewone es en Zoete kers. De struiklaag bestaat uit Wilgen, Meidoorn, Aalbes, Hazelaar, Haagbeuk en Gewone vlier. Verder vinden we er Speenkruid, Bosaardbei, Bosviooltje, Gevlekte aronskelk, Hondsdraf, Zevenblad, Klimop, Wilde kamperfoelie en Hop.
Voorbij de Kortewildestraat komen we in een open zone met de nog duidelijke vaart begroeid met riet. Door de vervuiling  is er een sterke verruiging. Grote gedeelten van de zuidelijke bermen en graslanden werden jarenlang door landbouwers uit de omgeving gebruikt met alle gevolgen van dien: overbemesting, ingezaaid gras, woekerende Ridderzuring.  Intussen is het gebied natuurreservaat geworden en wordt het dus ook zo beheerd. Een eerste stukje akker werd ingezaaid met allerlei akkeronkruiden. Daarna zal het worden gemaaid.  Rond de overige graslanden werd door de landschapswacht een omheining geplaatst en kunnen sinds 1998 enkele pony's het gebied extensief begrazen. Hopelijk wordt dit een aanzet voor een bloemenrijker grasland. In 2002 werden de pony’s weggehaald en ging men over op maaibeheer, en begrazing met schapen.
De graslanden in de laatste strook worden niet gemaaid. De oevers zijn hier begroeid met Wilgen, Mei- en Sleedoorn.

Per zone (van noord naar zuid)

  • Gemengd bos met in-en uitheemse soorten
    In de natte zones en op de oevers groeit een moeras-pionierbos, met hoofdzakelijk Wilg sp. Hier en daar vinden we restanten van verlande stroken met Reuzenpaardestaart. Uiteindelijk evolueert deze zone naar een gemengd eiken- essenbos.
    Kenmerkend is de aanwezigheid van aangeplante en spontane uitzaaiing van exoten. Er groeit in beperkte mate Sneeuwbes en Robinea en veel uitbundiger, de Vederesdoorn.
    Op de strook waar ooit l' Entrepot stond, vinden we een gevarieerde pioniersvegetatie. Op enkele m2 komen zowel vohctminnende planten voor in de natte kuilen: Engelwortel, Leverkruid, Klein hoefblad, Heelblaadjes, ... als Duinriet, Knoopkruid, Stinkende gouwe, Sint-Janskruid, Margriet, Jacobskruiskruid en Koningskaars op de zandlemige bulten.
  • Besdragende struiken (Mei- en Sleedoorn), gemengd loofbos en pionierbos met wilgenstruiken
    Kenmerkend is de bijna eensoortige begroeiing met de Eenstijlige meidoorn en de Sleedoorn. Zij ontwikkelden zich over redelijke oppervlakten, tot bijna voor het licht ondoordringebare bosjes. Hierdoor zijn er weinig ontwikkelingskansen voor zowel een kruidlaag als voor ontkiemende bomen. Gedeeltelijk is dit te wijten aan het vroeger graasbeheer met schapen, die weinig trek hadden in de stekelige twijgjes van de Sleedoorn, Meidoorn, Hondsrood of Braam.
    Door hun ondoordringbaarheid vormen ze een ideaal biotoop voor vogels en kleine zoogdieren, die er naast (veilige) nestgelegenheid ook aan voedselgaring kunnen doen, en zich verschuilen voor roofvogels.
  • Gemengd bos met open graslanden
    Deze zone kent de grootste verscheidenheid aan biotopen.
    Dichte loofbosjes worden onderbroken door open plekken van ca 100 tot 200 m2. Door het plaatselijke microreliëf en het zandige karakter van de bodem, vinden we er - door elkaar - restanten van natte en droge graslanden. In deze zone treft men volgenden plantengemeenschappen aan:
    • Verruigde graslanden en verlande moerassen
      met Riet, Engelwortel, Gele lis, Heelblaadjes, Leverkruid, Brandnetel, Zilverschoon.
    • Vochtige en relatief droge graslanden
      met o.a. Brem
    • Moerasbos langs het open water
    • Gemengd loofbos

Deze biotopen vormen door de specifieke combinatie van vegatatie, microreliëf en kleine biotopen, een rijke voedingsbodem voor een bijzonder gevarieerde fauna.

  • Rietveld en vochtig grasland
    Dit rietveld valt 's zomers droog, de watertoevoer gebeurt bijna volledig door hemelwater.
    Agressieve ruigtekruiden ontbreken bijna volledig en naast Riet en bloemrijke soorten aoals Wederik, Moerasspirea, Watermunt, Moeras-vergeet-me-nietje en Wolfspoot
  • Wilgenaanplant voor het mandvlechten
    In deze ca. 200 meter lange strook is een verwilderde aangeplanten Katwilgengriend, waarvan de wissen moeten dienen om manden mee te vlechten.
    In de schaduw van deze Katwilgen is er een kruidlaag, met o.a. het zeldzame Penningkruid.
  • Gemengd loogbos (Eik, Es en Zoete kers)
    In deze zone is de eerste verlandingsfase bijna volledig verdwenen. Gewone vlier, Wilg en Es koloniseerden bijna de gehele bedding. E komt hier ook een lange strook, goed ontwikkeld, bos voor met bomen, een struiklaag, een kruidlaag en een moslaag, en de graafwerken gaven ook het ontstaan aan holle wegen. 
    • de bomen, Zomereik, Es en Zoete kers komen voor op de best gedraineerde taluds
    • de struiklaag wordt gevormd door pioniers Wilg en Meidoorn en voor een deel uit een onderbegroeiing van Aalbes, Hazelaar, Haagbeuk, Kruidvlier, ...
    • de kruidlaag gedijt in de door humus verrijkte bosgrond met soorten als Speenkruid, Bosaardbei, Bosviooltje, Gevletke aronskelk, Hondsdraf, Zevenblad, ... naast varens, mossen en kilplanten als Wilde Kamperfoelie, Wilde hop en Klimop.
  • Rietveld en droog grasland. Gemengde wilgen- en elzenbos in de zijgracht
    Voorbij de Kortewildestraat komen we in een open zone waarin het verwezen kanaal haar oorpronkelijke profiel nog duidelijk heeft bewaard. Over een afstand van ca. 600 meter is het gekoloniseerd door Riet. Verlanding en watervervuiling (afvalwater van Hollebeke) hebben de verruiging en verarming van het gebied in de hand gewerkt. Ondertussen in nabij het verwezen kanaal en de Kortewildestraat, een kleinschalig waterzuiveringsstation actief, waardoor aan de aanvoer van vervuild water een einde gekomen is.
    In de zomermaanden valt het pand grotendeels droog. In de enkele overblijvende plassen is het Riet vervangen door Rietgras. Als planten treft men er Wilgenroosje, Winde, Rietgras, Bitterzoet, ...  aan naast de hier zeldzamere Wolfspoot en Wederik
  • Pioniersbos met Wilgestruiken en besdragende doornbosjes
    De oevers zijn hier begroeid met Wilg, Meidoorn en Sleedoorn. Deze zone is, qua vegetatie, sterk gelijkend op het Provinciaal Domein De Palingbeek.

 

Fauna
amfibieën

Belangrijkste idicatoren voor de meest waardevolle biotopen, vormen de amfibieën.
Zowel de Groene als de Bruine kikker, de Gewone pad, Alpenwatersalamander, Kleine watersalamander als de
zeldzame Kamsalamander komen er voor. Na de sanering van het afvalwater (scheiding van hemelwater en rioolwater) in het pand tussen de Dikkebusseweg en de IJzerwegbeek kwam de verdwenen Groene kikker er na twee jaar opnieuw voor.
ongewervelden
Andere indicatoren zijn het voorkomen van Waterjuffers en Libellen.
Naast de meer gewone soorten komen er ook de Keizerlibel en de Platbuik voor. 
Andere waterdiertjes zijn de Geelgerande watertor, Waterwantsen en Schaatsenrijders.
vogels
Op de openwaterpartijen ziet men de Waterhoen en de Wilde eend. In de grotere rietvelden huisen de Kleine karekiet, de Bosrietzanger en de Rietgors. Ook kan men er de IJsvogel waarnemen. Trouwe bezoekers zijn ook het Baardmannetje, de Regenwul, de Cetti's zanger (vooral in de omgeving van de Kortewildestraat),Blauwe reiger, Watersnip, Waterral, Bosuil, Ransuil, Steenuil, Torenvalk, Sperwer, Grote bonte specht, Wielewaal, Geelgros, Sijs, Kneu, Putter, Braamsluiper, Grauwe vliegenvanger, Goudvink,  ...
zoogdieren
Uitspringer bij de kleinere zoogdieren vormt zeker de Eikelmuis.
vleermuizen
In juni 2002 werd voor het eerst een Meervleermuis waargenomen langsheen het Verwezen Kanaal. Hij bleef langdurig jagen boven een relatief kleine opeprvlakte open water ter hoogte van de Dikkebusseweg.
In het najaar 2002 werd de sociale roep van de Grootoorvleermuis gehoord rond een grote boom langs het Verwezen Kanaal, ter hoogte van de Plumerlaan.
Ter hoogte van de Kortewildestraat kan men af en toe ook een Rosse vleermuis waarnemen via de batdetector.

beheer
De panden, gelegen tussen het Provinciaal Domein De Palingbeek en de grens met Houtem, zijn Vlaams Natuurgebied en worden beheer door AMINAL, afdeling Natuur.