Onder leiding van hoofdingenieur Debrock onderzocht ingenieur
Dultreux twee tracés voor de verbinding Leie-Ieperleekanaal:
- het ene vertrok
stoomopwaarts Waasten en liep langs Mesen en Voormezele
- het andere tracé liep
tussen Waasten en Komen aan de monding van de Kortebeek, volgde die
beek, dwarste de scheidingskruin bij Hollebeke, liep ter linkerzijde van
Ieper en vertakte zich met het Ieperleekanaal.
De keuze viel op
tracé 2, omdat het scheidingspunt niet zo hoog lag. Ter hoogte van
Hollebeke moest een tunnel gegraven worden van 1.330 meter lang, met als
alternatief een opengewerkt kanaal. Hoofdingenieur Debrock bepleitte
nog een diepgang van 1,80 meter, ‘opdat de grote schepen van Henegouwen
zouden kunnen varen zonder te moeten ontlasten’. Dit voorstel bleef
jarenlang in de ministeriële laden liggen. In 1863 kreeg een private
maatschappij eindelijk een vergunning voor het graven van de ‘Komense
Vaart’. Deze vergunning werd bij koninklijk besluit van 31 januari 1863
toegekend aan notaris Charles Van Eecke en burgerlijk ingenieu Antoine
Bucher, beiden uit Ieper. Op 21 juli 1563 stond een naamloze
vennootschap in de steigers onder de benaming ‘Compagnie du Canal de la
Lys à l’Yperlee’. De statuten van de vereniging werden bij Koninklijk
Besluit van 07 augustus 1863 goedgekeurd en in het Belgisch Staatsblad van
14 augustus 1863 gepubliceerd. Een bestuursraad van zes personen stond
in voor het beheer en drie commissarissen hielden toezicht. Deze
vennootschap zou niet alleen het kanaal aanleggen maar ook de exploitatie
op zich nemen. Het maatschappelijk kapitaal was vastgelegd op zes
miljoen frank, wat overeen kwam met de geraamde kostprijs voor de
uitvoering. De Belgische staat schreef in voor 5.600 aandelen of 2,8
miljoen frank. In de overeenkomst tussen de hogere overheid en de private
aandeelhouders, ondertekend op 07 december 1864, waren volgende werken
opgesomd met een kostenraming:
Grondwerken
1.362.000 frank
vijftien sluizen
7.782.000 frank
achttien woningen voor sluismeester en bruggewachters 33.000
frank
zeventien bruggen
168.000
frank
sifons
onder de Kraaibeek in Hollebeke
18.000 frank
onder de Kemmelbeek
27.000 frank
onder de Dikkebusvijverbeek
18.000 frank
onder de Ieperlee
33.000
frank
Vijf aquaducten
24.000 frank
twee gebouwen voor het plaatsen van
stoommachines
in Komen en Hollebeke
33.000
frank
twee stoommachines en het plaatsen ervan
45.000
frank
aanleg voedingskanaal 246.000
frank
bouwen van een tunnel van 700 meter
1.176.000
frank
afhankelijkheden en voorzieningen voor de
exploitatie van het kanaal
33.000 frank
Deze specifieke
werken slorpten bijna vijf miljoen op. De rest van de geraamde zes
miljoen was bestemd voor de verwerving van gronden, woningen, jaagpaden,
stapelplaatsen, enz. Uit de exploitatie van het kanaal verwachtte men
een jaarlijkse netto-opbrengst van ca. 295.000 frank. Dat bedrag stemde
overeen met een rente van 4,25% op een kapitaal van 6.550.000 frank. In
het bestek, toegevoegd aan het Koninklijk Besluit van 31 januari 1863, was
duidelijk bepaald dat het dwarsprofiel van het kanaal het kruisen van
schepen van driehonderd ton moest toelaten. De tunnel was echter voorzien
voor beurtelings verkeer.
De tunnel van
Hollebeke De
eerste spadesteek voor het graven van de tunnel aan de Hollebeekse hoogte
werd gegeven in november 1864. Men dolf een achttal verticale
toegangsschachten tot op een diepte van 17 meter. Die schachten moesten
met elkaar verbonden worden door een galerij, van waaruit verder kon
gewerkt worden aan de tunnel. In februari 1865 storrte de laatste
vertikale schacht richting Ieper in. Op 22 juli 1865 waren de
werkgalerijen af en kon het metselwerk aangevat worden. De moeilijkheden
stapelden zich op. Drie maanden later was men slechts een tiental meter
met het metselwerk opgeschoten en de vervormingen waren reeds duidelijk
merkbaar. De maatschappij nam daarop de ervaren Luikse tunnelbouwer ir.
Borguet in dienst. Deze liet over heel het tunneltraject een draineer-
en werkgalerij graven met het oog op het droogtrekken van de grond. De
technische ingreep stemde de maatschappij hoopvol, maar die hoop zou ijdel
blijken. Toen de tunnel over een lengte van 63 meter was voltooid,
stortte het bouwwerk in.
In handen van de overheid Na het mislukken van het tunnel-experiment kreeg de
maatschappij vanwege de hogere overheid de toestemming om de tunnel te
vervangen door een sleuf. Deze sleuf moest gegraven worden op een
zestigtal meter afstand van de ingestorte tunnel. De graafwerken voor
de sleuf vingen aan in 1867 en de werken vorderenden goed. Maar reeds in
1868 grepen de eerste grondafschuivingen plaats, en uiteindelijk stopte de
maatschappij de werkzaamheden. Op 23 maart 1871 greep er een
aandeelhoudersvergadering plaats. Uit een verslag bleek dat de ramingen
voor de kosten van de aanleg van het kanaal sterk onderschat waren. In de
conclusie van dit verslag werd voorgesteld dat de Staat de titels en
obligaties van de vergunninghouders zou overnemen tegen uitgifte prijs. De
lasten voor de uitgevoerde meerwerken zouden zonder vergoeding door de
Staat verworven blijven. Tussen 1873 en 1886 lagen de werkzaamheden aan het
kanaal stil. In die
periode werd koortsachtig gezocht naar alternatieven om de
geologische moeilijkheden te overwinnen. Maar het bleef wachten op de
overeenkomst van wederaankoop tussen de concessiehouder en de
Staat. Deze conventie kwam er pas in 1882 en werd geconcretiseerd bij
KB van 09 juni 1886. Ingenieur Leboucq van de Dienst Bruggen en Wegen werd belast met de studie van de
voltooiingswerken. In 1889 liet hij in het diepste gedeelte van het
tracé, in Hollebeke, een 250 meter lange tunnel graven. Plannen en bestek
waren opgemaakt door ingenieur Froidure en de firma Bolsée kreeg het werk
toegewezen. De werken vorderden, maar in 1890 vertoonde het voltooide
gedeelte van de tunnel ernstige beschadigingen over een afstand van ca. 60
meter. In 1893 stortte de tunnel opnieuw in. Op 03 november 1910 werden
de restanten van de tunnel gedynamiteerd. Op advies van ingenieur
Froidure werd in 1909 een wedstrijd uitgeschreven onder de
aannemers. Een zestigtal dongen mee. In hun aanbiedingen stelden ze
diverse ingrepen en wijzigingen voor, zoals verhoging van het kanaalpeil,
maar ook het behoud van de
tunnel. Het voorstel Monnouer voorzag de verhoging van het kanaalpeil met
vijf meter. Dat vergde de aanleg van twee bijkomende kanaalpanden en twee
aanvullende sluizen. Het gevolgde tracé was dat van 1889. Aan de
Sint-Elooiweg kwam een stalen brug. Ook de bekleding van de taluds werd
aangepast. Het ontwerp Monnoyer viel in goede aarde bij de Minister van
Openbare Werken en in februari 1910 werden de werken opnieuw
opgestart. Opeenvolgende grondverschuivingen en barsten in de betonnen
taludbekledingen schrokken de aannemer niet af. Op 29 november 1912 kon
Monnoyer aan de bevoegde minister laten weten dat zijn opdracht vervuld
was. Enkele dagen later
deden zich verontrustende verschuivingen voor aan de Sint-Elooibrug. Op
10 juni 1913 stortte de stalen Sint-Elooibrug in.
WO I Gedurende WO I kwam de vaart Ieper – Komen,
ter hoogte van de Palingbeek – in de frontlinie te liggen: de kanaalsleuf
lag gedeeltelijk op de Ypres Salient. Het hoogste punt van het domein
kreeg de naam “The Bluff”, de omgeving van de Vaartstraat de “Spoilbank”,
het aangrenzende Zwarte Molenbos “The Ravine”. Het domein De Vierlingen
werd “Battle Wood”. Het kasteel van De Palingbeek werd “The White
Chateau”, en was enige tijd een Duitse basis. Doorheen het domein liepen
verschillende loopgraven, richting “The Bluff”.
Interbellum Na WO I had de aanleg van
het kanaal niet zo’n grote prioriteit: eerste de wederopbouw. Na
overleg tussen diverse besturen werd de Staat op 01 oktober 1920 bij
minnelijke schikking eigenaar
van het ‘onbruikbare’ kanaal, en … de administratieve molen kwam
weer op gang. In een eerste verslag, in 1924 opgesteld door ir. De
Naeyer werd de historiek van de aanleg geschetst en van de opeenvolgende
mislukkingen. In 1931 toonde hoofdingenieur van Bruggen en Wegen R.
Verstraete aan dat de grondafschuivingen niet beperkt bleven tot de
insnijding van Hollebeke, maar over heel de kanaallengte voorkwamen. Na
het herstel van het kanaal Ieper – IJzer, dat op 19 maart 1933 feestelijk
weer in dienst werd genomen, hoopte men op een nieuwe poging om Ieper met
de Leie te verbinden. Studies en plannen volgden elkaar in snel tempo
op, proefboringen grepen plaats, maar de werken werden niet
opgestart.
WO II Op 25 mei 1940 besliste
generaal Gart van het Britse expeditiekorps het 5de en de
50ste divisie te verplaatsen naar het kanaal, ten einde de
Duitse opmars tussen Geluwe en Komen op te houden. Twee brigades namen op
26 mei 1940 tussen Komen en Houtem stelling in en wat later namen twee
andere brigades de kanaalstrook tussen Houtem en Zillebeke onder
controle. Op 27 mei 1940 begonnen de gevechten. Omdat de Britten
alle bruggen hadden opgeblazen, moesten de Duitsers het kanaal oversteken
via geïmproviseerde bruggetjes, o.a. gemaakt uit huisdeuren. Na een
terugtocht en een bittere strijd, wisten de Britten via een tegenaanval de
Duitsers gedeeltelijk achter de Kortekeerbeek en het kanaal terug te
dringen. Op 28 mei 1940 ging de Duitse aanval onverminderd verder, maar
de Britten wisten stand te houden. In de nacht van 28 op 29 mei trokken
de Britten zich terug.
Na WOII Een
laatste kanaalplan dat rond 1958 door ingenieur Verschaeve voorgesteld
werd, bleef louter academisch. Het verwezen kanaal bleef er ongestoord
en ongerept bij liggen. |
|
Flora Vanaf de Watermolenberg
(bij het Ieperleekanaal) tot aan de Dikkebusseweg loopt het verwezen kanaal doorheen een
verstedelijkt gebied. Er werden eind
20ste eeuw, werken uitgevoerd door Aquafin. De struiken en
bomen werden er verwijderd. Hier kwam dus een strook open water vrij met
een interessante en soms zeldzwame oever- en watervegetatie (Lisdodde,
Zwanebloem, Gele lis, Grote waterweegbree, Groot moerasscherm, Vederkruid,
Gele waterkers, Wolfspoot, Beekpunge, Zwanebloem, Waterviolier, Watermunt,
Gele waterkers en Egelskop). De meest gevarieerde delen van deze zone
bevinden zich nabij de Tulpenlaan en voorbij de Dikkebusseweg langs de
bebouwde kom. Door de realisatie van de scheiding van oppervlakte- en
rioolwater stroomt enkel relatief proper oppervlaktewater door het kanaal,
zodat de natuur meer kansen krijgt. Dit wordt mooi geïllustreerd door de
steeds toenemende aantallen amfibiën die tijdens "de Paddentrek"
(voorjaar) pendelen tussen de naastgelegen tuinen en weiden en het open
water van het kanaalpand.
Tussen de Dikkebusseweg en de Kemmelse
weg loopt het verwezen kanaal eerst langs ruime woonwijken aan de ene
oever en een militair domein (met een belangrijke kolonie Huiszwaluwen)
aan de andere oever. Vanaf de Kemmelseweg loopt het verwezen kanaal door
een open gebied. In deze zone komt het verwezen kanaal soms hoger te
liggen dan de omringende velden en weiden, wat vooral het geval bij het
pand tussen de Kemmelseweg tot voorbij de Rijselseweg.
Vanaf de Dikkebusseweg tot aan het Provinciaal
Domein valt in het begin de situatie te vergelijken met het eerste
deel. Hier groeien ook pioniersplanten (Eendekroos, Moerasrolklaver,
Moerasvergeet-mij-nietje, Moerasspirea, Watertorkruid, Gele waterkers,
Veenwortel, de zeldzame Waterviolier; Grote waterkers, Veenwortel
Fonteinkruid en Beekpuntge). Verder is het kanaal
meer en meer verland. De Zwarte els groeit er massaal met hier en daar
Gewone vlier en Wilg. Op de bermen groeien meestal Brandnetel,
Smeerwortel, Braam en Distel (nitraatminnende planten). Op de droger en voedselarmer
hellingen vinden we echter Knoopkruid en Vlasbekje. De zandlemige en
weinig bemeste delen op de bermen zijn begroeid met Duizendblad, Wilde
peen, Groot kaasjeskruid, Agrimonie, Wikke en Koningskaars. Een ecologisch
opgevolgd bermbeheer moet hier de verruiging tegenhouden.
Het Provinciaal Domein De Palingbeek.
Van het Provinciaal Domein de
Palingbeek tot grens Wallonië ligt
het rustigste gedeelte van de Oude Vaart. Algemeen het eerste stuk
wordt vaak L'Entrepot genoemd naar het gelijknamige café die volledig is
afgebrand. De natuur heeft hier volledige vrijheid gekregen zich te
ontwikkelen tot het juweeltje wat het nu is. Het dichtste bij de Palingbeek
treft men eerst een bebost gedeelte aan met dichte Mei- en
Sleedoornbosjes, een ooit door mandenvlechters geëxploiteerd
Katwilgenbosje, een fraai ontwikkeld eiken-essenbos, met quasi holle
wegen. Hier en daar komen ook stroken open rietveld aan, wat het
geheel heel aantrekkelijk maakt voor (zang)vogels en roofvogels. Het is
bv. in dit stuk dat men Bosuil, Ransuil en Steenuil regelmatig kan horen
en zien. Reeeën en Vossen, die in de omliggende bossen (Vierlingen,
Drieblotenbos, Palingbeek) voorkomen, maken ook gretig gebruik van het
beschuttende karakter van deze bosjes, op hun migraties doorheen de
streek. Dit bos evolueert beetje bij beetje tot een gemengd
eiken-essenbos. Hier en daar groeit er Reuzenpaardestaart. Op de oude restanten van
L'Entrepot groeien heel wat pioniersplanten zoals Engelwortel,
Koninginnekruid, Heelblaadjes, Knoopkruid, Stinkende gouwe, Sint-
Janskruid, Jacobskruiskruid en Koningskaars. Dit gemengde loofbos gaat
geleidelijk over in meer monospecifieke begroeiing met Eenstijlige
meidoorn en Sleedoorn. Dit gedeelte is een El Dorado voor kleine
zangvogeltjes en kleine zoogdieren.
Deze dichte loofbosjes en struikgewas worden meer en meer
onderbroken door open plekken. Er heerst een plaatselijk microklimaat en
de zandige bodem zorgt voor meer variatie. Op de hogere gedeelten groeit
Brem. Er zijn ook natte en verruigde graslanden en verlande moerassen met
Riet, Engelwortel, Gele lis, Heelblaadjes, Koninginnekruid en
Zilverschoon. Dit was de plaats bij uitstek voor het ringen van vogels.
Het grootste rietveld valt 's zomers droog. Het rietveld wordt gevoed door
regenwater en niet met het vervuilde water van de omgeving. Dit heeft natuurlijk invloed op de
flora: Wederik, Moerasspirea, Watermunt, Moerasvergeet-mij-nietje en
Wolfspoot. In het verleden werd hier nogal wat gekapt en gemaaid en zo
heeft het zijn open karakter behouden. In een 200 meter lange strook
komen we in een heel eigenaardig gebiedje: een verwaarloosde wilgengriend. De lange
wissen van de Katwilg moesten dienen om manden te vlechten. In de schaduw
groeit hier Penningkruid. Een gemengd loofbos zal in de toekomst dit
gedeelte overwoekeren. In het gedeelte tot aan de Kortewildestraat is een
goed ontwikkeld bos ontstaan met grote bomen zoals Eik, Gewone es en Zoete
kers. De struiklaag bestaat uit Wilgen, Meidoorn, Aalbes, Hazelaar,
Haagbeuk en Gewone vlier. Verder vinden we er Speenkruid, Bosaardbei,
Bosviooltje,
Gevlekte aronskelk, Hondsdraf, Zevenblad, Klimop, Wilde kamperfoelie en
Hop. Voorbij de Kortewildestraat komen we in een open zone met de nog
duidelijke vaart begroeid met riet. Door de vervuiling is er een sterke verruiging. Grote
gedeelten van de zuidelijke bermen en graslanden werden jarenlang door
landbouwers uit de omgeving gebruikt met alle gevolgen van dien:
overbemesting, ingezaaid gras, woekerende Ridderzuring. Intussen is het gebied
natuurreservaat geworden en wordt het dus ook zo beheerd. Een eerste
stukje akker werd ingezaaid met allerlei akkeronkruiden. Daarna zal het
worden gemaaid. Rond de
overige graslanden werd door de landschapswacht een omheining geplaatst en
kunnen sinds 1998 enkele pony's het gebied extensief begrazen. Hopelijk
wordt dit een aanzet voor een bloemenrijker grasland. In 2002 werden de
pony’s weggehaald en ging men over op maaibeheer, en begrazing met
schapen. De graslanden in de laatste strook worden niet gemaaid. De
oevers zijn hier begroeid met Wilgen, Mei- en
Sleedoorn.
|
Per zone (van noord naar zuid)
- Gemengd bos met in-en uitheemse
soorten
In de natte
zones en op de oevers groeit een moeras-pionierbos, met
hoofdzakelijk Wilg sp. Hier en daar vinden we restanten van
verlande stroken met Reuzenpaardestaart. Uiteindelijk evolueert
deze zone naar een gemengd eiken- essenbos. Kenmerkend is de
aanwezigheid van aangeplante en spontane uitzaaiing van exoten. Er
groeit in beperkte mate Sneeuwbes en Robinea en veel uitbundiger,
de Vederesdoorn. Op de strook waar ooit l' Entrepot stond,
vinden we een gevarieerde pioniersvegetatie. Op enkele
m2 komen zowel vohctminnende planten voor in de natte
kuilen: Engelwortel, Leverkruid, Klein hoefblad, Heelblaadjes, ...
als Duinriet, Knoopkruid, Stinkende gouwe, Sint-Janskruid,
Margriet, Jacobskruiskruid en Koningskaars op de zandlemige
bulten.
- Besdragende struiken (Mei- en
Sleedoorn), gemengd loofbos en pionierbos met
wilgenstruiken
Kenmerkend is de bijna eensoortige begroeiing met de
Eenstijlige meidoorn en de Sleedoorn. Zij ontwikkelden zich over
redelijke oppervlakten, tot bijna voor het licht ondoordringebare
bosjes. Hierdoor zijn er weinig ontwikkelingskansen voor zowel een
kruidlaag als voor ontkiemende bomen. Gedeeltelijk is dit te
wijten aan het vroeger graasbeheer met schapen, die weinig trek
hadden in de stekelige twijgjes van de Sleedoorn, Meidoorn,
Hondsrood of Braam. Door hun ondoordringbaarheid vormen ze een
ideaal biotoop voor vogels en kleine zoogdieren, die er naast
(veilige) nestgelegenheid ook aan voedselgaring kunnen doen, en
zich verschuilen voor roofvogels.
- Gemengd bos met open
graslanden
Deze zone
kent de grootste verscheidenheid aan biotopen. Dichte
loofbosjes worden onderbroken door open plekken van ca 100 tot 200
m2. Door het plaatselijke microreliëf en het zandige
karakter van de bodem, vinden we er - door elkaar - restanten van
natte en droge graslanden. In deze zone treft men volgenden
plantengemeenschappen aan:
- Verruigde
graslanden en verlande moerassen
met Riet, Engelwortel, Gele
lis, Heelblaadjes, Leverkruid, Brandnetel,
Zilverschoon.
- Vochtige
en relatief droge graslanden
met o.a.
Brem
- Moerasbos
langs het open water
- Gemengd
loofbos
Deze
biotopen vormen door de specifieke combinatie van vegatatie,
microreliëf en kleine biotopen, een rijke voedingsbodem voor een
bijzonder gevarieerde fauna.
- Rietveld en vochtig
grasland
Dit rietveld
valt 's zomers droog, de watertoevoer gebeurt bijna volledig door
hemelwater. Agressieve ruigtekruiden ontbreken bijna volledig
en naast Riet en bloemrijke soorten aoals Wederik, Moerasspirea,
Watermunt, Moeras-vergeet-me-nietje en Wolfspoot
- Wilgenaanplant voor het
mandvlechten
In deze
ca. 200 meter lange strook is een verwilderde aangeplanten
Katwilgengriend, waarvan de wissen moeten dienen om manden mee te
vlechten. In de schaduw van deze Katwilgen is er een kruidlaag,
met o.a. het zeldzame Penningkruid.
- Gemengd loogbos (Eik, Es en Zoete
kers)
In deze zone is
de eerste verlandingsfase bijna volledig verdwenen. Gewone vlier,
Wilg en Es koloniseerden bijna de gehele bedding. E komt hier ook
een lange strook, goed ontwikkeld, bos voor met bomen, een
struiklaag, een kruidlaag en een moslaag, en de graafwerken gaven
ook het ontstaan aan holle
wegen.
- de
bomen, Zomereik, Es en Zoete kers komen voor op de best
gedraineerde taluds
- de
struiklaag wordt gevormd door pioniers Wilg en Meidoorn en voor
een deel uit een onderbegroeiing van Aalbes, Hazelaar, Haagbeuk,
Kruidvlier, ...
- de
kruidlaag gedijt in de door humus verrijkte bosgrond met soorten
als Speenkruid, Bosaardbei, Bosviooltje, Gevletke aronskelk,
Hondsdraf, Zevenblad, ... naast varens, mossen en kilplanten als
Wilde Kamperfoelie, Wilde hop en Klimop.
- Rietveld en droog grasland. Gemengde
wilgen- en elzenbos in de zijgracht
Voorbij de Kortewildestraat komen
we in een open zone waarin het verwezen kanaal haar oorpronkelijke
profiel nog duidelijk heeft bewaard. Over een afstand van ca. 600
meter is het gekoloniseerd door Riet. Verlanding en
watervervuiling (afvalwater van Hollebeke) hebben de verruiging en
verarming van het gebied in de hand gewerkt. Ondertussen in nabij
het verwezen kanaal en de Kortewildestraat, een kleinschalig
waterzuiveringsstation actief, waardoor aan de aanvoer van
vervuild water een einde gekomen is. In de zomermaanden valt
het pand grotendeels droog. In de enkele overblijvende plassen is
het Riet vervangen door Rietgras. Als planten treft men er
Wilgenroosje, Winde, Rietgras, Bitterzoet, ... aan naast de
hier zeldzamere Wolfspoot en Wederik
- Pioniersbos met Wilgestruiken en
besdragende doornbosjes
De oevers zijn hier begroeid met Wilg, Meidoorn en
Sleedoorn. Deze zone is, qua vegetatie, sterk gelijkend op het
Provinciaal Domein De Palingbeek.
|
Fauna amfibieën Belangrijkste idicatoren voor de meest
waardevolle biotopen, vormen de amfibieën. Zowel de Groene als de
Bruine kikker, de Gewone pad, Alpenwatersalamander, Kleine watersalamander
als de zeldzame Kamsalamander komen er voor. Na de
sanering van het afvalwater (scheiding van hemelwater en rioolwater) in
het pand tussen de Dikkebusseweg en de IJzerwegbeek kwam de verdwenen
Groene kikker er na twee jaar opnieuw voor. ongewervelden Andere indicatoren zijn het voorkomen van Waterjuffers en
Libellen. Naast de meer gewone soorten komen er ook de Keizerlibel en
de Platbuik voor. Andere waterdiertjes zijn de Geelgerande
watertor, Waterwantsen en Schaatsenrijders. vogels Op de openwaterpartijen ziet men de Waterhoen en de Wilde eend.
In de grotere rietvelden huisen de Kleine karekiet, de Bosrietzanger en de
Rietgors. Ook kan men er de IJsvogel waarnemen. Trouwe bezoekers zijn ook
het Baardmannetje, de Regenwul, de Cetti's zanger (vooral in de omgeving
van de Kortewildestraat),Blauwe reiger, Watersnip, Waterral, Bosuil,
Ransuil, Steenuil, Torenvalk, Sperwer, Grote bonte specht, Wielewaal,
Geelgros, Sijs, Kneu, Putter, Braamsluiper, Grauwe vliegenvanger,
Goudvink, ... zoogdieren Uitspringer bij de kleinere zoogdieren
vormt zeker de Eikelmuis. vleermuizen In juni
2002 werd voor het eerst een Meervleermuis waargenomen langsheen het
Verwezen Kanaal. Hij bleef langdurig jagen boven een relatief kleine
opeprvlakte open water ter hoogte van de Dikkebusseweg. In het najaar
2002 werd de sociale roep van de Grootoorvleermuis gehoord rond een grote
boom langs het Verwezen Kanaal, ter hoogte van de Plumerlaan. Ter
hoogte van de Kortewildestraat kan men af en toe ook een Rosse vleermuis
waarnemen via de batdetector. |